Werkelijkheidsvinding

 

voor rechters bij

 

 jeugdbeschermingszaken

 

 

 

                Recente wetenschappelijke inzichten voor rechters,

                          beleidsmakers en de jeugdbescherming

 

 

 

Rapport Mei 2021

 

Wetenschappelijke feitenverzameling jegens zorg voor jeugd

 

AdoptieZaken & Familierecht  (Voorheen SSF)

 

 

Geachte lezer,    

 

De jeugdbescherming vraagt de overheid cyclisch door de tijd om geld, en klaagt over werkdruk.

Ouders klagen over gebrek aan waarheidsvinding.

Beleidsmakers trachten het sociaal domein op te lappen met hetzelfde niveau aan menskracht als voorheen.

Pseudodiagnoses worden in jeugdzorg, niet in jeugdgezondheidszorg, gesteld om rechters te adviseren.

 

 

Waar  heeft het kind recht op indien er vermoedelijke zorgen zijn?

Hoe is dat te onderzoeken?

Welk gevòlg heeft een beschermingsmaatregel eigenlijk, buiten de jeugdbescherming om gemeten?

 

We gaan in op de methodologie voor rechters, zodat onderkend kan worden wat de wetenschap over de onderzoekshiërarchie zegt over adviezen aan kinderrechters, met name over de hogere sporten op de ladder, die meer rechtszekerheid geven.

 

We gaan in op hoe de wetenschap inzicht geeft over hoe het niveau van het sociaal domein denkt te meten. En dat kan verbazing wekken bij hoger opgeleide professionals.

 

We gaan in op de door de wetenschap vastgestelde schadelijke kanten van een beschermingsmaatregel die rechters in hun afweging behoren mee- of tegen te wegen.

We laten zien dat menig internationaal recht vergeten wordt in beleid en bij rechters.

 

We geven onderzoeksvragen en constructieve tips om tot meer degelijke en kortere hulptrajecten te komen voor waar er ‘zorgen’ lijken te bestaan bij gezinnen.

 

Tj.W. Strubbe  e.a.

 

 

Inhoud:

1. Methodologie bij ‘werkelijkheidsvinding’ in jeugdbeschermingsrecht                                                                                                 4

2. Wat gebeurde met inbreng die ouders, jongeren en hun deskundigen mochten verstrekken voor de actieplannen?           10

3. Enige grensbepalende EHRM-arresten                                                                                                                                                         11

 

4. Nederland ratificeerde en negeerde                                                                                                                                                               12

5. Onderzoekshiërarchie bij adviezen aan kinderrechters                                                                                                                           13

6. Aanbevelingen voor diagnostisch onderzoek bij beschermingsmaatregelen                                                                                     14

 

7. Wetsvoorstelletje                                                                                                                                                                                                  15

8. Wetenschappelijke analyses te over                                                                                                                                                                17

9. Analyse over ‘jeugdzorg’ tegenover recht                                                                                                                                                      19

 

10. Blijft de politiek wegkijken? En de rechters dan?                                                                                                                                      26

11. Indicatieve waarde van taxatielijsten en richtlijnen                                                                                                                                28

12. Schemeren met het woord ‘veilig’                                                                                                                                                                 30

 

13. Bruikbare prangende onderzoeksvragen ten dienste van de kinderrechter                                                                                     33

14. Conclusie                                                                                                                                                                                                              35

 

1. Methodologie bij ‘werkelijkheidsvinding’ in jeugdbeschermingsrecht

 

 

De jeugdbeschermingsketen verzoekt menigmaal als de bekende ‘repeat-player’ (equality of arms, in het arrest van EHRM in N.P./Moldava, 6 okt 2015 appl.nr.58455/13). De rechter kan tegenover framing door de keten komen te staan om het verzoek door te drukken zonder weging.

 

We gebruiken enige citaten van prof. Raimond Giard, uit ‘Waarheidsvinding, Hoe de juridische werkelijkheid het methodologische ideaal kan naderen’ (Trema, maart 2013), dat we volgen met oog op de jeugdbescherming, en het gaat hier dus over civiel recht waartoe het jeugdbeschermingsrecht behoort.

 

‘Het grote belang van het juist vaststellen van de feiten binnen elke juridische procedure wordt onderstreept in de openingszin van het recente proefschrift van rechter Ruth de Bock: “De belangrijkste grondstof voor elke beslissing van de civiele rechter zijn de feiten van het geval.”   En zij voegt daar nog aan toe: “Een goede rechterlijke uitspraak vergt niet alleen dat de rechter de juiste rechtsregels toepast, maar vóór alles dat de feitenvaststelling deugdelijk is.” Wie dit onderschrijft – en wie kan hier nu tegen zijn? – ontkomt echter niet aan de praktische vervolgvraag: maar hoe realiseren we nu de juiste waarheidsvinding in de dagelijkse praktijk, zowel in procedurele als in materiële zin? …

Tijdens een procedure bij de feitenrechter vloeien er twee verschillende wetenschapsdomeinen samen, die beide een hoofdrol in de juridische procedure vervullen: de rechtsgeleerdheid én de kennistheorie (i.e. epistemologie). … Het tweede houdt zich bezig met de vraag hoe je aan betróúwbare kennis kunt komen en die op de juiste wijze moet toepassen; het eerste is in essentie rationalistisch van aard, het tweede empirisch.’

 

We komen hier op terug bij de Onderzoekshiërarchie, het niveau van advies aan de (kinder)rechter. Zeker waar de verzoeker, in dit geval de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) of de Gecertificeerde Instelling (G.I., jeugdbescherming, voorheen BJz) aan framing kan doen, en de kinderrechters worden overspoeld met verzoeken tot OTS of verlenging daarvan, kunnen denkfouten ontstaan in het “feilbare denken”. (Daniel Kahneman; 2012, Amsterdam). 

 

‘Framing impliceert de contextuele sturing van een procedure en dat gebeurt automatisch en daardoor {vaak} onbewust. Uit onderzoek is echter gebleken dat [Jeugdbeschermings]advocaten ook opzettelijk gebruik kunnen maken van dit fenomeen door de manier waarop de informatie wordt gepresenteerd, het manipuleren van deskundigenonderzoeken enzovoort in de hoop daarmee het oordeel in hun voordeel te laten uitvallen. De praktische consequentie van dit alles is om stelselmatig de vraag te stellen: hoe is of hoe wordt de kwestie ingekaderd?’

 

Vaak wordt niet eens bewezen of er een ‘deskundigenonderzoek’ van een hoog-beroepsgeregistreerde met diagnostische bevoegdheid aanwezig is. Tussen de jeugdbescherming en de kinderrechters vindt regelmatig een voorbespreking plaats.

 

Een confirmation bias  door de zeer regelmatige clichés beïnvloedt de rechter te neigen het gestelde in de jeugdbeschermingsrapportages als ‘waar’ aan te nemen; de outcome-bias.

 

Aangezien het niet voor de hand ligt dat ouders het wetboek van burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kennen, noch de Awb, zullen ze in verweer tegen het verzoek van de jeugdbescherming weinig schriftelijke aanvulling kunnen verstrekken.  Kinderrechters mogen met kennis van de recente wetenschappen, waarop we terugkomen,  onderzoeksvragen  stellen, te meer daar een beschermingsmaatregel veel meer dan nu een ultimum remedium dient te zijn. En er zijn volgens orthopedagogische wetenschappers zeker mogelijkheden in voorlichting en begeleiding door een deskundige, meer dan een jeugdzorgprofessional.

 

“Het vaststellen van feiten lijkt mij wel ongeveer het meest onderbelichte aspect van de werkzaamheden van een jurist”, verzuchtte in 2012 de Nijmeegse hoogleraar algemene rechtswetenschappen Schutgens en hij is daarin niet de enige. Maar hoe dit aan te pakken? Voor het ontwerpen en uitvoeren van dat feitenonderzoek is een planmatige aanpak vereist en die begint bij het stellen van de juiste vragen.’

 

Het verzoek kent doelstellingen. Eén ervan is werkgelegenheid; daar doelt ook kinderombudsman Marc Dullaert in 2013 (in “Is de zorg gegrond?”, pag. 93) op: de financiële ‘perverse prikkel’. En een machtiging te verkrijgen tot vooralsnog vermeende bescherming.

 

De doelstelling geeft aan waarover de rechter moet oordelen; de vraagstelling moet de juiste verklarende informatie leveren waarop het oordeel zal worden gebaseerd en de methodologie stuurt wat er moet worden onderzocht en hoe dat moet worden gedaan,’

Het moge duidelijk zijn dat een te vage, foutieve of te beperkte doelstelling in het algemeen niet tot een goede beslissing [of advies] kan leiden, want dat werkt in negatieve zin door in de formulering van de vraagstelling.’

 

In wetenschappelijke inzichten, waarop we terug komen, blijkt dat het doel van de jeugdbescherming blinde vlekken kent, en dat is verklaarbaar: de informatie-verzamelende, onderzoekende jeugdzorgwerker is niet diagnostisch bevoegd en kan zich laten leiden door eigen jeugdervaringen.

 

‘Met het stellen van vragen komt het proces van kennisverwerving op gang. De vraagstelling fungeert als leidraad daarvoor en is steeds een ‘open’ vraag, dus eentje die met een vragend voornaamwoord begint of die bevat en eindigt met een vraagteken.

Deze hoofdvraag dient de kern van het probleem bloot te leggen. Die vraag stuurt én begrenst het te verrichten onderzoek; door het open karakter ervan is er in principe een baaierd aan antwoorden mogelijk.’

 

Waar de vraag te beperkt wordt gesteld: “waarom een beschermingsmaatregel?”, en niet “is er een valide oplossing van wat als ‘zorg’ of ‘bedreiging’ wordt gezien?”, is de vraag niet-open. De vraag zou dus te veel begrenzen, en dat past bij framing.

 

Wordt dit wezenlijke belang van het verschil tussen een doel- en een vraagstelling in de rechtspraktijk wel voldoende beseft? En wordt dit onderscheid sowieso wel in praktijk gebracht? Het niet scheiden van doel- en vraagstelling komen we regelmatig tegen bij de veelgebruikte formulering van de opdracht (lees: vraagstelling!) aan deskundigen.’

 

De Centrale Raad van Beroep, het hoogste bestuursrechtcollege, sprak dat een kinderrechter als bestuursrechter de taak heeft te controleren: LJN BD1113. (Rechtsmachtverdeling tussen de kinderrechter als civiele rechter en de kinderrechter als bestuursrechter.)

 

Waar ouders en jeugdzorg geen overeenstemming vinden, wordt vaak gemeld en zeer slecht zonder diagnostiek ‘onderzocht’ met meningen of een maatregel nodig is om de zin van de jeugdzorg voor te zetten. Dan komt de (kinder)rechter er aan te pas.

 

In de hitte van de juridische strijd kunnen er gedurende deze voorgerechtelijke fase [de onenigheid tussen ouders en jeugdbescherming], echter fouten worden gemaakt, zowel bij het ‘feitenonderzoek’  als bij de gevoerde argumentatie – soms ernstige fouten. Maar uiteindelijk is het toch de rechter die moet vaststellen wat als rechtsfeiten moet worden beschouwd [vaak op advies van de ‘repeat-player’ als juridische partij] en zal hij daar zijn vonnis op baseren. Maar wat te doen als de aangevoerde feiten en rechtsgronden (misschien) niet deugen? Nogmaals De Bock: “De rechter mag zich niet neerleggen bij ‘feiten’ waarvan het vermoeden bestaat dat zij niet correct zijn; zij heeft op dit punt een eigen verantwoordelijkheid. Een noodzakelijke consequentie van de taak van de rechter om onderzoek te doen naar de feiten, is dat de rechter de bevoegdheid heeft om feiten aan te vullen.”

Als de mogelijkheid van fouten reëel is, wat voor het verdere procesverloop van belang kan zijn, is opsporing en correctie daarvan onvermijdelijk. Hier dient zich wederom de al eerder gestelde vraag aan: mag of moet de rechter de aangevoerde rechtsfeiten en rechtsgronden ter discussie stellen en/of aanvullen?’

 

Moet de rechter het aangevoerde ter discussie stellen of aanvullen… ook die mogelijkheid, dat er fouten zijn gemaakt wegens het werkgelegenheidsbelang, of wegens de confirmation bias van de ‘onderzoeker’, of wegens de hypocognitie met betrekking tot de recente wetenschappen die als tegenargument dienen te worden meegewogen, of wegens het klakkeloos overnemen van dossiers van ketenpartners, zijn levensgroot aanwezig.

 

Er is door de ministeries een onderzoek naar ‘Verbeterd Feitenonderzoek in de jeugdbeschermingsketen’ geïnitieerd, waar uit een actieplan resulteerde die door de jeugdbeschermingsketen zelf geschreven is met weglating van de essentiële inbreng van ouders, jongeren en hun deskundigen.  Duizenden ouders en jongeren hebben een afstandsverklaring ondertekend.  Wegens de zeer vele klachten van gezinnen is de vraag gerechtvaardigd.

 

‘Waaraan onmiddellijk zal worden toegevoegd: wanneer de rechter de vraag mag aanvullen  geoorloofd is, hoe moet de rechter die bevoegdheid dan inkleden opdat diens onafhankelijkheid en geloofwaardigheid steeds worden gewaarborgd?

Elke schijn van partijdigheid moet immers worden vermeden. Welke mogelijkheden voor bemoeienis met het feitenonderzoek door de rechter bestaan er thans?

In het civiele recht bepalen artikel 24 en 149 lid 1 Rv[1] de (bewijsrechtelijke) omvang van de procedure, namelijk slechts over die feiten of rechten die in het geding aan de rechter ter procedure, namelijk slechts over die feiten of rechten die in het geding aan de rechter ter kennis zijn gekomen of zijn gesteld en die overeenkomstig de voorschriften van deze afdeling zijn komen vast te staan.’

 

Sinds 2002 is het burgerlijk procesrecht aangepast, wat hard nodig was bij jeugdbeschermingszaken.

NOTEN:

[1]: Rv19:   1.  De rechter stelt partijen over en weer in de gelegenheid hun standpunten naar voren te brengen en toe te lichten en zich uit te laten over elkaars standpunten en over alle bescheiden en andere gegevens die in de procedure ter kennis van de rechter zijn gebracht, een en ander tenzij uit de wet anders voortvloeit. Bij zijn beslissing baseert de rechter zijn oordeel, ten nadele van een der partijen, niet op bescheiden of andere gegevens waarover die partij zich niet voldoende heeft kunnen uitlaten. {Hierbij zijn de ouders als ‘one-shotter’ zeer in het nadeel, en zij worden dan ook erg regelmatig niet serieus genomen, zonder op valide diagnostiek aan te dringen}.

2 .  De rechter neemt ambtshalve of op verlangen van een van de partijen alle beslissingen die nodig zijn voor een goed verloop van de procedure. {En de wetenschap geeft die, waar voorlichting al vaak ontbreekt ter voorkoming van een maatregel}.

Rv21: Partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

Rv22:  1.   De rechter kan in alle gevallen en in elke stand van de procedure partijen of een van hen bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde, op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen.

2 .  Partijen kunnen dit, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, weigeren of de rechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de toelichting onderscheidenlijk de bescheiden.

3.   De rechter beslist of de in het tweede lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

4.   Indien de rechter beslist dat de weigering onderscheidenlijk de beperking niet gerechtvaardigd is, kan hij daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

5.   Indien de rechter heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting.

6.   Indien de rechter heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die toelichting onderscheidenlijk die bescheiden uitspraak doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer.

Rv24:  De rechter onderzoekt en beslist de zaak op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering, verzoek of verweer ten gronde hebben gelegd, tenzij uit de wet anders voortvloeit.* 

Rv25:  De rechter vult ambtshalve de rechtsgronden aan.   >

Rv85:  1.   Indien een partij zich bij procesinleiding, verweerschrift, conclusie of akte op enig stuk beroept, is zij verplicht een afschrift van het stuk bij te voegen, tenzij een afschrift reeds bij een eerder processtuk in dezelfde zaak was gevoegd. De in de vorige volzin bedoelde verplichting vervalt indien de wederpartij verklaart geen afschrift te verlangen. {Hoe zelden toont de jeugdbescherming de verklaringen van geïnterviewden en deskundigen, en verstrekt ze ondanks het McMichael-arrest niet aan het gezin!}.

2.   Indien de wederpartij verklaart inzage in het stuk zelf te verlangen, is de partij die zich op het stuk beroept bovendien verplicht dit ter griffie te deponeren. In zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, kan in plaats daarvan het stuk aan de advocaat van de wederpartij tegen ontvangstbewijs worden afgegeven.

3.   Indien ten aanzien van enig stuk aan enig voorschrift van dit artikel of van artikel 30k, vijfde lid niet is voldaan, of dermate laat dat de wederpartij dientengevolge niet voldoende in staat is zich daarover uit te laten, kan zij zich daarop tot aan het eindvonnis beroepen. In dat geval of indien zodanig beroep niet wordt gedaan, terwijl de rechter reden heeft om te veronderstellen dat de wederpartij het stuk niet heeft ontvangen, biedt hij de wederpartij de gelegenheid zich alsnog over het stuk uit te laten, dan wel houdt hij bij zijn beslissing ten nadele van de wederpartij met het stuk geen rekening.

Rv111:   2.   In het oproepingsbericht neemt de griffier de inhoud en de datum van indiening van de procesinleiding op en vermeldt hij ten minste: sub b: in zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen: de wijze waarop de verweerder in de procedure moet verschijnen, te weten vertegenwoordigd door een advocaat; (lid 3 is vervallen in 2017, zoals ook art. 313).

*: Rv149: 1.   Tenzij uit de wet anders voortvloeit, mag de rechter slechts die ‘feiten’ of rechten aan zijn beslissing ten grondslag lèggen, die in het geding áán hem ter kènnis zijn gekomen of zijn gesteld en die overeenkomstig de voorschriften van deze afdeling [Bewijsrecht]  zijn komen vast te staan. ‘Feiten’ of rechten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende zijn betwist, moet de rechter als vaststaand beschouwen, behoudens zijn bevoegdheid bewijs te verlangen, zo vaak aanvaarding van de stellingen zou leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat. {Ouders kennen gewoonlijk dit artikel niet om op te anticiperen, en geeft dus rechtsongelijkheid waar de kinderrechter de recente wetenschappen negeert, en zie hiervoor lid 2}.

2.   Feiten of omstandigheden van algemene bekendheid, alsmede algemene ervaringsregels mogen door de rechter aan zijn beslissing ten grondslag worden gelegd, ongeacht of zij zijn gesteld, en behoeven geen bewijs {en hier komt de wetenschap als basis tot weging te pas}.

Rv803:  1 .  In verband met de belangen van minderjarigen of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van belanghebbenden, geschiedt de mondelinge behandeling met gesloten deuren.

2.   De rechter kan evenwel op verzoek van een belanghebbende bepalen dat de mondelinge behandeling geheel of gedeeltelijk openbaar is, indien zwaarwegende belangen bij openbaarheid daartoe aanleiding geven en de belangen als bedoeld in het eerste lid zich daartegen niet verzetten. {Hoe vaak verzet de ‘repeat-player’ zich tegen aanwezigheid van een deskundige van de kant der ouders, die dus de privacy niet bedreigt; tevens verzet de jeugdbescherming zich tegen het gebruik van Rv810a om tot hoogwaardiger diagnostiek met voorlichting te komen, dat wel conform IVRK art. 24 lid 1 is. Bij gebruik van Rv800 lid 3 moet toch aantóónbaar zijn van direct ernstig gevaar?!}.

Rv810a:  2.   In zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, benoemt de rechter op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. {De bewering dat een deskundige diagnose belastender zou zijn dan een slepende OTS, waarvan bewezen is dat drie op de vier jeugdzorgkinderen niet het passende hulptraject verkrijgen, is een gebruikelijk doch onheus cliché dat de jeugdbescherming laat horen}.

_________   

 

‘In 2002 werd het burgerlijk procesrecht aangepast, waardoor de wettelijke grondslagen voor de regiefunctie en de kwaliteitswaarborgingsfunctie van de rechter ruimer werden omschreven. Gevolg hiervan was dat de taakverdeling tussen rechter en partijen werd opgeschud. Het huidige procesrecht biedt de rechter wel degelijk ruimte om zich met de juistheid en volledigheid van het feitenonderzoek te bemoeien.’

 

Waar er van een juridische partij een advies ligt, waar het gezin zich tegen verweert, zou de Onderzoekshiërarchie de waarde van adviezen en feiten in hoor èn wederhoor, ook de ouders serieus nemend, moeten wegen tegenover de gevolgen van de beschermingsmaatregel, waarover de wetenschap niet mals is. Het de sfeer in het gezin frustreren en zeker het wegplaatsen van een kind, weg bij één of beide ouders, is zeer schadelijk. We komen ook op de Onderzoekshiërarchie terug, maar behouden even de lijn van Giard.1

 

‘De formeelrechtelijke basis om het ‘feitenonderzoek’ te controleren, wordt in het civiele recht gevormd door het beginsel van hoor èn wederhoor en het consequent realiseren daarvan (art. 19 Rv), het zorgen voor naleving van de inlichtingenplicht van procespartijen (art. 21 Rv), door partijen te vragen hun stellingname toe te lichten en relevante bescheiden over te leggen (art. 22 Rv), het ambtshalve kunnen aanvullen van rechtsgronden (art. 25 Rv), het laten toevoegen van bewijsmiddelen aan de processtukken (art. 85 Rv), ..  door controle op de inhoudelijkheid van de dagvaarding (art. 111 Rv, met name lid 2 sub b .. . Bij het gebruikmaken van elk van deze mogelijkheden is het consequent hanteren van het beginsel van hoor en wederhoor essentieel:

men legt vragen of opmerkingen ter beantwoording of ter commentaar voor aan procespartijen. Het bestaande civiele procesrecht biedt de rechter dus in theorie ruimte om nadere informatie te verkrijgen.

 

Er bestaan zodoende mogelijkheden om de doel- en vraagstelling van het onderzoek nader te toetsen door hierover vragen op te werpen en voor te leggen aan beide partijen.

Maar over welke kennis en vaardigheden dient de rechter te beschikken om juist die empirische dimensie van het feitenonderzoek te beoordelen en te sturen?’

 

De gewoonte is dat de inbreng van ouders niet serieus genomen worden omdat ouders met het onbekende recht onervaren zijn en zelden of niet konden anticiperen. Bij de roep der ouders om eerst degelijk en breed voor te lichten ter preventie hoort ook enige wetskennis te verstrekken die de jeugdbescherming gebruikt.

 

Vaak beweert de jeugdbescherming veel, zonder degelijk bewijs te tonen, ook indachtig het McMichael-arrest. 

 

‘Ten slotte is er het gevaar van circulariteit. Er is namelijk voorzichtigheid geboden bij verklaringen die op het eerste gezicht vanzelfsprekend lijken omdat de daarin gepresenteerde veronderstelling de gebeurtenis verklaart en dat lijkt logisch omdat de gebeurtenis omgekeerd de hypothese weer rechtvaardigt.’

 

De jeugdbescherming gebruikt regelmatig cirkelredeneringen. 

 

En daarbij ongedefinieerde woorden, zoals ‘onderzoek’, ‘onveilig’,  ‘zorgen’, ‘geen zicht op…’, ‘bedreiging’, ‘professional’ of ‘expert’ dat geen specialist is, enzovoort.   Verklaringen vanuit de jeugdbescherming, soms uit naam van een gedragswetenschapper die enkel van horen zeggen uit de mond van de jeugdzorgwerker, wat die werknemer kòn en wìlde inbrengen in een MDO, oordeelt, zonder het cliëntsysteem zelf te hebben gezien en onderzocht (dus tegen diens hogere beroepscode), zijn gezien de wetenschappelijke inzichten vaak niet betrouwbaar doch gepolariseerd.

 

De vraag naar de beste manier om een casuspositie op te lossen, heeft ons geleid naar de kwestie hoe een feitenonderzoek idealiter wordt vormgegeven en het belang daarvan voor optimale rechtspraak. … Nu de sociale wetenschappen, wetenschapsfilosofie en methodologie hun licht over de praktijk van het recht hebben laten schijnen, kunnen de uitkomsten daarvan niet zonder praktische gevolgen blijven. De inzichten hoe er bij de feitenvaststelling fouten kunnen worden gemaakt en hoe die zijn te vermijden, zijn hiervoor weergegeven. Het is meer dan wenselijk dat die kennis zijn weg vindt in de rechtspraktijk.’

 

En op de wetenschappelijke inzichten die daarbij mogen helpen, komen we nu terug. We hopen dat deze feitelijke en gecontroleerde inzichten niet zonder gevolgen blijven.

 

‘Dat alles in het kader van kwaliteitstoetsing en -bevordering van de rechtspraak, een maatschappelijk bepaalde verantwoordelijkheid waarbij met name ook de rechter partij is. Het doel is een effectievere en efficiëntere rechtspraak te realiseren in een ideaal gerecht – eerlijke rechtspraak gebaseerd op reële informatie en juiste redeneringen, steeds ingebed in een optimaal positief recht en een juiste organisatiestructuur.’

 

Ja, zelfs de rechter is partij, en wat vaak vergeten wordt, de jeugdbescherming met diens belangen is ook juridisch partij.

 

Het ‘ultimum remedium’ moet werkelijk als laatste middel gebruiken worden, om schade zoveel mogelijk in te perken, en ouders te enthousiasmeren met hoogwaardige voorlichting en zo nodig diagnostiek met mogelijk daarop gebaseerd vervolg. De wetenschap laat zien dat deskundige hulp thuis veel vaker dan nu goed en effectief mogelijk is, wat minder schadelijk is.

 

 

Ook vonden we van prof.dr.dr. R.W.M. Giard (Expertise en Recht, 2009, ‘Waarheidsvinding: worstelen met wijsheid achteraf’):

 

Naar een science of evidence

 

Met de genoemde ‘bedrijfsongevallen in de rechtspraak’ {de gewoonte het advies van de jeugdbescherming te volgen zonder controle}  als aansporing houden we ons bezig met het toetsen en bevorderen van de kwaliteit van rechtspraak. Dat is primair niet een kwestie van meer of betere wetgeving, maar het verbeteren van de methoden van verzamelen van informatie, interpretatie en oordeelsvorming. Schum noemt dat een science of evidence en benadrukt dat studies die zich richten op wetenschappelijke bewijsvoering voldoen aan de volgende criteria:

  ze maken deel uit van georganiseerde kennis binnen een erkend kennisdomein;

  ze werken met feiten die op een systematische wijze kunnen worden geclassificeerd;

  ze gebruiken betrouwbare methoden voor het ontdekken van feiten of waarheden binnen het domein van bewijsvoering;

  ze hanteren objectieve methoden van bewijsonderzoek;

  ze hanteren statistische methoden bij onderzoek van kwantitatieve aspecten.

 

Het draait bij waarheidsvinding steeds om het genereren van hypothesen, het zoeken naar bewijs daarvoor of daartegen – de praktijk van tegenspraak – en de argumenten die hypothesen en bewijs met elkaar verbinden of juist niet. Bij de praktische invulling daarvan zijn inzichten uit de psychologie onontbeerlijk.’

 

‘… Daarvoor is nodig dat de hulp van andere disciplines wordt ingeroepen.’

 

Toch geven we een hint om enige artikelen aan te vullen om de gronden meer diagnostisch gestalte te geven conform de Onderzoekshiërarchie.

 

We geven wetenschappelijke inzichten op juridisch, gezondheidszorg-, en praktisch psychologisch en orthopedagogisch niveau.

 

Er wordt onder de laatste regeringen veel weggekeken, niet geanalyseerd waar klachten werkelijk vandaan komen, en weggekeken van signalen hoe er inhoudelijk kan worden verbeterd. Menigeen heeft de problemen in de jeugdzorg reeds vergeleken met de Toeslagenaffaire, de aardbevingsaffaire, en de belastingdientsaffaire.

 

Negatie van signalen leidt bij opgroeienden tot ongezonde situaties.

 

 

 

2. Wat gebeurde met inbreng die ouders, jongeren en hun deskundigen mochten verstrekken voor de actieplannen?

 

Opvallend is dat bij de actieplannen (ca. 2017–2021, bij LOC en NJi), om de ‘waarheidsvinding’, het verbeteren van feitenonderzoek ten dienste van de ‘jeugdzorg,’ te verbeteren,  geschreven werd dat ouders en hun deskundigen betrokken zouden zijn in die plannen.   Dat “betrokken” is juist doch de suggestie dat het ook gebruikt is, is een misleiding vanuit de jeugdzorgketen. Er werd daarvan telkens niets terug gevonden in de uiteindelijke rapportages, die de jeugdbescherming zelf uiteindelijk schreef.

 

Wij, ouderorganisaties,  hebben concreet, wetenschappelijk, opbouwend,  en op schrift inbreng verstrekt, maar dat is echt niet terug te vinden. We hoopten dat naar Europees en internationaal recht ‘feiten’ gemeten werden. Nederland heeft ook artikel 24 lid 1 van het VN-kinderrechtenverdrag geratificeerd.

 

“De Staten die partij zijn, erkennen het recht van het kind op het genot van de gróótst mogelijke máte van gezondheid èn op voorzíeningen voor de behandeling van ‘ziekte’ en het herstel van de {uiteraard ook orthopedagogische en psychologische} gezondheid. De Staten die partij zijn, streven ernaar te wáárbòrgen dat geen enkel kind zijn of haar rècht op tóégang tot deze voorzieningen voor gezòndheidszorg wordt ònthouden”. [Aangehaald als IVRK24 lid 1]

 

Lid 3 van IVRK24 geeft aan dat de overheid schadelijke tradities zoals de jeugdzorg moet opdoeken, en de wetenschap die we geven toont de schadelijkheid vaak aan.

 

IVRK artikelen 3, 6 en 19 gaan over de uitzonderingen op artikel 8 van het EVRM. De staten moeten zorgen voor deze bescherming van zorg en veiligheid, rekening houdend met de ouders, die kunnen leren, die van bepaalde aspecten nog geen weet hebben.  Geen preventieve voorlichting is bewijs dat dit deel van ‘rekening houden’ weggelaten wordt in onderbouwing van beschermingsmaatregelen.

 

De jeugdzorg misbruik de woorden ‘veiligheid’ en ‘beschermen’ al te vaak tégen ouders zònder aantoonbaar hen preventief voor te lichten, waarmee de ‘beschermers’ de restrictie ontlopen rekening met de ouders te houden (BW1:247), en zònder naar de gevolgen te kijken wat een hulptraject of beschermingsmaatregel longitudinaal bezien doet met de opgroeiende.

 

In dit overheidsbeleid zijn het de jeugdzorgwerkers die de spil zijn, en al te vaak een echte diagnose door een onafhankelijk specialist tegenhouden. Hoe vaak bagatelliseert een gezinsvoogd ter zitting niet de roep om diagnostisch of echt te meten, de waarheid echt te bepalen, zelfs waar ouders een beroep doen op de wet, zoals Rv810a lid 2 of Rv803 voor meer openbaarheid van een zitting achter gesloten deuren. 

 

De ontwikkeling van kinderen kan immers ook ‘bedreigd’ worden door ziekten of ontsteking zoals pandas; dus een storing in de ontwikkeling is niet standaard kindermishandeling, zelfs heel vaak niet, en daarop komen we ook terug!

 

Dus, waar er ‘zorgen’ zijn, ligt diagnostiek met brede voorlichting ter voorkoming van een beschermingsmaatregel voor de hand.  De jeugdzorg, die – te onderscheiden – geen jeugd-gezondheidszorg is,  toont dat nimmer of hoogst zelden aan in procedures.  Er wordt zelfs beweerd dat de jeugdbescherming geen contactjournaal meer bijhoudt, in weerwil van artikel 30 van de AVG, zodat ouders bij opvraag op basis van de AVG (ook artikel 30) weinig inzage krijgen; er wordt vaak eerst gemaild dat het dossier eerst opgeschoond moet worden!

 

Ouders stemmen dus niet in met de actieplannen waar de rechtszekerheid voor het gezin niet is gewaarborgd naar de jeugdzorg begrenzende arresten van het EHRM.

 

De wens is naar advies van prof. Forder bij juridische procedures door de jeugdbescherming met internationaal recht en arresten rekening te houden, en het advies van prof. R.J. van der Gaag uit diens oratie op te volgen: zet diagnostieke zwaargewichten voor de toegangspoort van de jeugdzorg en -bescherming. Dit is nodig wegens de te breed interpretabele en vage codificatie van BW1:255, 265b en 266.

 

Oud-advocaat mr.ir. Peter Prinsen met jeugdbeschermingsspecialisatie heeft enige constructieve inbrengen geschreven bij het zoeken naar beter feitenonderzoek. Ook klinisch pedagoog H. Berndsen schreef, bij diens ontdekking dat minimaal 60% van de jeugdbeschermingsrapportages te veel fouten bevatte, constructieve inbreng.  Oud-kinderrechter mr. Nanneke Quik sprak in een uitzending waar bleek dat de gUHP-meisjes – nadat ze na hun 18e werden teruggevonden voor onderzoek onder psych. Theo Doreleijers    90% niet goed waren terecht gekomen, zelfs in de prostitutie werden teruggevonden, dus geen passende hulp hebben verkregen (na 3:46 minut. op Youtube). Quik wist niet dat het zo slecht was waar zij ze naar toe stuurde als kinderrechter. 

Ook zij allen achtten dat er meer naar het recht gekeken moest worden, naar internationaal recht…

 

 

3. Enige EHRM-arresten:

 

 

Men kenne het arrest  N.P./Moldava, 6 okt 2015 appl.nr.58455/13, dat rekening houdt met deze ongelijke positie van ouders als “one-shotters” tegenover de “repeat-player”, de jeugdbescherming, dat strijdig is met de ‘equality of arms’. Dat zou ook moeten impliceren dat ouders een gespecialiseerde advocaat toegevoegd krijgen waar er niet aantoonbaar is voorgelicht noch is gediagnosticeerd, gezien de volgende arresten:

 

Men kenne het EHRM-arrest Kocherov en Sergeyeva/Rusland, 29 maart 2016, appl. Nr. 16899/13, waar er concreet bewijs, en geen aannames op onderbuikniveau, dienen te gelden.

 

Men kenne het EHRM-arrest Cincimino /Italy, 28 april 2016, appl.nr. 68884/13, dat, waar de RvdK reeds in de beschermings- of veiligheidstafels zit, een beschermingsmaatregel dat beperkingen in omgang oplegt, recent en ònafhankelijk advies nodig heeft. {En denke daarbij bijvoorbeeld aan interactiediagnostiek en video-interactie-begeleiding van een orthopedagoog}.

 

Men kenne het EHRM-arrest inzake Soares de Melo/Portugal, 16 feb. 2016, appl.nr.61226/08, waar de overheid, de jeugdbeschermingsketen, ouders dwingt tot juridische bijstand bij de rechtsvinding en het bewaken van het niveau van zorgvinding, en waar dus deze juridische bijstand gefinancierd dient te worden door de aanstichter. {Dat is dus de overheid die de jeugdbescherming heeft opgetuigd}.

 

Men kenne het McMichael-arrest, 24-02-1995, dat overeenkomsten toont met het Ruiz-Mateos-arrest, evenals arrest van EHRM in Soares de Melo/Portugal, 16 feb. 2016, appl.nr.61226/08, en de ouders het recht geeft op àlle stukken waarop wordt geoordeeld tijdig te kennen, {terwijl de overheid signalen verneemt dat de jeugdzorg stukken achterhoudt ondanks de AVG. Ook het contactjournaal heet dan niet meer te bestaan, terwijl artikel 30 van de AVG daarop doelt en er dus moet zijn.  Ouders krijgen vaak het verzoekschrift van de RvdK of G.I. niet of pas ter zitting}.   

 

In het Feldbrugge-arrest oordeelde het Europees Hof reeds dat artikel 6 EVRM geschonden was nu de betrokkene (ouder)  niet in de gelegenheid was gesteld om zich uit te laten over twee rapporten van ‘medisch deskundigen’, welke van essentiële betekenis waren en de grondslag vormde in de gerechtelijke beslissing in de beroepsprocedure. {De jeugdbescherming geeft de beroepsregistratie en specialisaties van hun onderzoekers, ook op aanvraag (Awb), níét door aan de ouders, en bagatelliseert de diagnostische rapporten van onafhankelijke specialisten met hoge beroepsregistratie aan ouders’ kant}.

 

 

 

4. Nederland ratificeerde en negeerde:

 

 

Aangezien Nederland aan geratificeerd Europees en internationaal recht zou behoren te  werken, en eind 2019  er  een exploot  naar alle Tweede-Kamerleden en betreffende ministers was uitgegaan dat zij verantwoordelijk zijn voor de gammele wetgeving die de zorg voor het kind treft, zou men verwachten dat er op wetenschappelijk gegrond en inhoudelijk wat gedaan werd met de voorstellen  de ingang  van de jeugdzorg met de jeugdbescherming beter te bewaken  naar het niveau van artikel 24 lid 1 van het VN-kinderrechtenverdrag:  open diagnostiek (volgens de beroepscode van de gezondheidszorg) èn inhoudelijke brede preventieve voorlichting.

 

De jeugdzorg verschuilt zich achter de mogelijkheid dat bij een MDO er een gedragswetenschapper luistert naar wat de diagnostisch-onbevoegde jeugdzorgwerker wìl en kàn inbrengen en daarop mogelijk advies geeft, terwijl hij of zij weet dat dit vaak als schijnbare ‘diagnose’ bij de rechter wordt opgevoerd, en dat druist in tegen diens meer medische beroepscode. Ouders krijgen de gedragswetenschapper veelal niet te zien, en kennen diens beroepsregistratie en specialisaties niet, zodat de rechter misleid wordt met een pseudodiagnose, een verwoording van de jeugdzorgwerker.

 

Er wordt bij NJi en jeugdzorg wel eens gewezen naar kinderrechten, maar in het voordeel van de jeugdbescherming die onder in de praktijk bij nauwelijks gecodificeerde wetgeving de uitzonderingen aangrijpen om op een laag niveau in te grijpen, m.n. door jeugdzorgwerkers, die diagnostisch en therapeutisch onbevoegd zijn.   

 

We zagen dat IVRK artikelen 3, 6 en 19 over de ontwikkeling van het kind beschrijven, over het kind ‘beschermen’, doch hóé, en dat staat in artikel 24, en dat wordt zelden benoemd, laat staan rekening mee gehouden.  De beleidsmakers negeren dat artikel 24 lid 1 IVRK opvallend hardnekkig.

 

Het in IVRK genoemde ‘rekening houden met de ouders’; en denk aan het gebrek aan (preventieve) voorlichting.  Dat gebrek veroorzaakt in de praktijk rechtsongelijkheid en speculatieve tot schadelijke hulptrajecten.

 

Omdat de ingang tot jeugdzorg en jeugdbescherming, lager van niveau dan gezondheidszorg, zo weids open staat en wordt gepropageerd, wordt door wetenschappers met diagnostieke bevoegdheid en kennis geadviseerd die ingang voor de poort te bewaken met echte diagnostiekEr zijn zelfs veel huisartsen die naar de gecontracteerde jeugdzorg moeten doorverwijzen volgens de financier en gemeenten.

 

Diagnostiek ìn (jeugd)gezòndheidszorg is nodig; immers de jeugdzorg laat jeugdhulp te regelmatig (300%) uitmonden naar AMHK-meldingen (onVeilig uiThuis) en jeugdbescherming,  en adviseert daarbij (ondeskundig) de niet-diagnostisch-bevoegde rechters.

 

De Onderzoekshiërarchie kent sporten op de ladder van niveau en kwaliteit aan advies aan de rechter.  Diagnostisch gezien zijn er diagnostisch-onbevoegden, algemene deskundigen die vaak bij ketenpartners zitten die financieel afhankelijk zijn van hun opdrachtgever (RvdK of G.I.), en (diagnostisch) specialisten. En moet er rekening met de gevolgen gehouden worden.

 

 

 

5. Onderzoekshiërarchie bij advies aan kinderrechters:

 

De rechters zouden ondanks de zeer laagwaardige codificatie in wetgeving[1] (en gebrek aan sanctionering waar de jeugdzorg misbruik van de wetgeving maakt) moeten wegen met een ander advies, dat hoger op de ladder van de  Onderzoekshiërarchie  staat.  Wetenschappelijk is dat door Raimond Giard, Erasmus Universiteit Rotterdam, en  Harald Merckelbach, Maastricht University,  uitgelegd. Zie de link.

 

Advies op niveau dat aan  wetenschappelijk  meta-onderzoek voldoet, of zich daarmee conformeert, staat hoog op de ladder, en daarentegen beweringen van jeugdzorgwerkers die aan meningeninventarisatie deden om  ongedefinieerde 'onveiligheden' te vinden, staan wel erg laag op de ladder en voldoen derhalve niet aan het gestelde (optimale en legale) niveau van artikel 24 lid 1 van het VN-kinderrechtenverdrag, en,  aan verder Europees en internationaal recht en arresten van het EHRM. (Mr. Tom Knijp, mei 2021).


[1] BW1:255 lid 1: De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling (gezinsvoogdij, jeugdbescherming) indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling èrnstig wordt bedréígd,  èn:

a. de ‘zorg’ die in verband met het wègnemen van de bedreiging noodzakelijk is {of heet te zijn door de niet-diagnostisch-bevoegde jeugdzorgwerker}  voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of ònvoldoende wordt geàccepteerd {terwijl dat zelden wordt aangetoond},  en  

b. de {niet-uitgelegde, vage} verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de veràntwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, {niet?!} in staat zijn te dragen.                                    ______ 

BW1:265b lid 1: Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, {en wie bepaalt dat in deze vage codering?}, kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen {zonder acht te slaan op wetenschappen?}.    ______ 

 

Bij verzoeken tot gesloten plaatsing (gesloten UHP) is een onderzoekje van een gedragswetenschapper verplicht.

Doch aangezien dat drie op de vier jeugdzorgkinderen niet het juiste passende hulptraject verkrijgen of als (onuitgelegde) ‘oplossing’ wel een beschermingsmaatregel kregen, en bijv. prof. N.W. Slot (“909 zorgen”) vond dat bij OTS na 2 jaren bij driekwart er geen verbetering plaatsvond maar wel vaak een verslechtering, is een diagnostisch onderzoek dat voldoet aan de hogere beroepscodes in de gezondheidszorg hard nodig bij àlle beschermingsmaatregelen.  

 

Ook prof. Jo Hermanns en Peter Dijkshoorn (“Uithuisplaatsing van een kind is een catastrofe”, 2019) e.a. vonden dit na onderzoek. Er kan veel beter met diagnoses gewerkt worden, ook bij verlengingen van ‘hulp’.

 

 

 

6. Aanbevelingen voor diagnostisch onderzoek:

 

Kruijf, M.P. (2019) schrijft in diens  doctoraalthesis  over aanbevelingen die zeker bij gesloten plaatsingen hard nodig zijn, maar in feite vooraf aan àlle beschermingsmaatregelen nodig behóren te zijn.

 

Zo staat in "Legitimiteit en rechtswaarborgen bij gesloten plaatsingen van kinderen: de externe rechtspositie van kinderen in gesloten jeugdhulp bezien vanuit kinder- en mensenrechten":

 

Aanbevelingen aan de wetgever, de overheid en jeugdbeschermingsketen (Jw3.2 lid 2):

  • -Het juridische toetsingskader om de noodzaak en de doelmatigheid van een gesloten plaatsing te toetsen, dient vernieuwd en verdíépt te worden.
  • -De verzoeker (RvdK of G.I.) van een gesloten plaatsing moet motiveren (en bewijzen volgens  LJN BD1113 volgens de CRvB) waarom pleegzorg en andere vormen van residentiële zorg niet (meer) mogelijk zijn.
  • -Een machtiging mag slechts voor de duur van zes maanden worden afgegeven (verlenging moet - onderbouwd - mogelijk blijven).
  • -De inhoudelijke vereisten voor de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper behoeven aanschèrping. {Moet voldoen aan diens beroepscode, hoger dan SKJ uit het lagere sociaal domein}.
  • -Bij een verlengingsbeslissing dient de accommodatie voor gesloten jeugdhulp een (vooralsnog bescheiden) rol in de besluitvormingsprocedure te krijgen.
  • -Beperk de gesloten jeugdhulp voor kinderen van 12 tot 18 jaar. {NB: de voorgaande Wet op de jeugdzorg had ook tot doel dat er nieuwe modules werden gecreëerd; doch dat is niet op evidence based  niveau van de grond gekomen, en zal nu ook waarschijnlijk niet plaatsvinden}.
  • -Verruim de mogelijkheden voor de kinderrechter om, wanneer er een machtiging gesloten jeugdhulp wordt opgelegd, ook een machtiging ‘gewone’ uithuisplaatsing of een Bopz-machtiging af te geven (vanaf 2020 een machtiging in het kader van de Wet verplichte GGZ). {Dit kan reeds  d.m.v.  Rv810a  doch diagnostisch-onbevoegde rechters laten hun oor hangen naar de jeugdbescherming die zich daartegen verzet, dat tegenwerkt, ook als ouders er om verzoeken, en de jeugdzorg dus tegen IVRK24 lid 1 blijft handelen}.
  • -De kinderrechter moet in de beschikking concrete doelen en de reactie van de jeugdige meenemen. {Zonder concretie kunnen ouders de zorg niet juridisch bewaken}.

Aanbevelingen aan diverse actoren in de jeugdhulpsector:

  1. -Halveer het aantal plekken in accommodaties voor gesloten jeugdhulp.
  2. -Ontwikkel passende alternatieven voor een plaatsing in de gesloten jeugdhulp {waarin vaak geen specialistische deskundigheid}.
  3. -Zet familiegroepsplannen in om het netwerk van de jeugdige bij een besloten behandeling te betrekken.
  4. -Laat een inhoudelijke deskundige ‘mee’ rechtspreken als derde rechter.
  5. -Ontwikkel een sterkere visie op de rol van de {therapeutisch en diagnostisch onbevoegde} gezinsvoogd en de jeugdzorgrechtadvocaat bij een [gesloten] plaatsing.

 

Omdat dit voor alle – in feite ingrijpende – beschermingsmaatregelen zou moeten gelden, aangezien de wetenschap bewees dat een beschermingsmaatregel ernstig schadelijke aspecten kent, is de wet minimaal aan te passen:

 

 

 

7. Wetsvoorstelletje:

 

Met onderstaande internationale gebreken in de jeugdzorg zouden deze aanbevelingen voor àlle beschermingsmaatregelen moeten gelden, te meer daar wetenschappelijk bewezen is in met elkaar bevestigende  wetenschappelijk onderzoeken (met controlegroepen) dat ongediagnosticeerde beschermingsmaatregelen ernstig schadelijk zijn, vaak schadelijker dan de vermeende bedreigingen van de ontwikkeling van het kind (lid 1 BW1:255).  Rechters weten dit niet te wegen!

 

 

De AZF heeft de Tweede Kamer  verzocht enige artikelen  in wetgeving aan te passen:

 

- BW1:255a  (als ingevoegd artikel):

Lid 1.  Bij een verzoek tot een kinderbeschermingsmaatregel moet een diagnostisch rapport van een gedragswetenschapper of (psycho)medisch specialist gepaard gaan, waarbij de gedragswetenschapper of specialist moet hebben voldaan aan diens orthopedagogische of psychomedische beroepscode.   [Hierbij geldt een SKJ-registratie niet als voldoende].

Lid 2.  Bij een verzoek tot een kinderbeschermingsmaatregel dient aangetoond te worden dat de ouders preventief [vòòraf] goed en breed zijn voorgelicht, gericht op voorkoming van een beschermingsmaatregel, en daarbij moet worden vermeld de beroepsregistratie van de deskundige waar er 'ernstige zorgen'  genoemd worden zoals in lid 1 van BW1:255 vermeld.   [Hierbij dient artikel 24 lid 1 van het VN-kinderrechtenverdrag het niveau te bepalen. De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep in  LJN BD1113  (2008) moet aantoonbaar nagevolgd worden door de kinderrechter].

         +

- Jeugdwet 6.1.2 lid 6 (of onder een andere nummering in bijv. hoofdstuk 3.1):

Het verzoek tot een kinderbeschermingsmaatregel behoeft de instemming van een gekwalificeerde gedragswetenschapper of (psycho)medisch specialist die de jeugdige of het cliëntsysteem met het oog daarop kort tevoren zelf heeft onderzocht en daarbij heeft voldaan aan diens orthopedagogische of psychomedische beroepscode. [Hier geldt een SKJ-registratie niet als voldoende].

        +

- En tevens:   Jeugdwet 3.2: lid

1. Een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering wordt uitsluitend uitgevoerd door een gecertificeerde instelling of een medisch specialist waar dat uit diagnostiek nodig blijkt.

2. Een gecertificeerde instelling biedt gèèn jeugdhulp aan.   [MvT: Jeugdbescherming, als regie-houder, is geen gezondheidszorg doch dient daarmee wel rekening te houden en ouders breed voor te (laten) lichten, zo mogelijk aantoonbaar preventief om een beschermingsmaatregel te voorkomen; de regel moet zijn:   'geen diagnose dan ook geen beschermingsmaatregel', zeker na een week bij een spoedUitHuisPlaatsing, dat aan een rechtszaak vooraf gaat. Een onderzoeksrechter is in motie aangenomen en genegeerd; een  specialistische Rechter-Commissaris-jeugd  zou sneller kunnen controleren op aanwezigheid van valide bewijs].

 

Dit is een minimale aanpassing, aangezien misbruik en gebrek aan beëdiging van de jeugdzorgwerkers nu niet gesanctioneerd is. Deze wet dient dus sanctionering van misbruik en van valse verklaringen te bevatten. Medici onder de WGBO zijn veelal beëdigd, maar dat wordt gemist bij jeugdzorg. {Waar een ouder bewust ná een cursus aan omgangssabotage  doet kan er ook strafrechtelijk ingegrepen worden omdat dit een vorm van kindermishandeling kan zijn, soms ook toegestaan door de jeugdbescherming, die bij misbruik van de wet niet onderhevig is aan sanctionering; dat is een groot gebrek van de Jeugdwet.  Maar het tijdelijk gezag ontnemen van één omgangssaboterende ouder volgens uitspraak LJN AS6020  is het meest effectief}.

 

Daarom werden in de brief aan besturen van rechtbanken ook Prangende vragen verstrekt om de kinderrechters te helpen bij hun afwegingen.

 

  Voor een verbeterde jeugdzorgwetgeving zijn nodig:

 

·       Ingang tot jeugdbescherming moet gewogen worden met hoge sport op de ladder van de Onderzoekshiërarchie voor advies aan rechter,

 

·       Bewegen binnen de grenzen van internationaal recht en arresten,

 

·       Aantoonbare echte voorlichting en diagnostiek (als nulmeting en voor IVRK25 bij verlengingen van een dwangmaatregel),

 

·       De recente wetenschappen over de schadelijke aspecten van een maatregel tegenwegen ten opzichte van de vermeende ‘bedreigingen’, die meer gecodificeerd of gedefinieerd moeten zijn dan de bewering van ‘onveiligheid’,

 

·       De inzet en keuze van ouders dient na inhoudelijke voorlichting duidelijker vastgelegd te worden.

 

De plannen anno  2021 (het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming) duiden op invoering van een aftreksel van de in het Verenigd Koninkrijk (GB) door de hoogste rechter verboden GIRFEC-methode, een Vast Gezicht (vanaf de zwangerschap) in elk gezin waar jeugdzorgwerkers een oog op krijgen, die met melden (naar het AMHK, onVeilig uiThuis) een doorzettingsmacht krijgen, terwijl ìn die jeugdbeschermingsketen echte diagnostiek en voorlichting faalt.

 

Er ìs een gebrek aan wegen met internationaal recht.... (en niet ‘een gebrek aan geld’! Want met minder geld kan veel in de gezondheidszorg effectief en veel kòrter, effectiever, en zonder schade, evidence based,  opgelost worden! ‘Jeugdzorg’ is geen gezondheidszorg!

 

En er is anno 2021 nog steeds een gebrek aan de wil de recente wetenschappen te implementeren, ondanks dat deze duiden op ernstige schade door gebruik van beschermingsmaatregelen die vaak verzocht worden gebaseerd op beweringen van diagnostisch onbevoegden.

 

Wetenschappelijke analyses zouden veel meer leidend moeten zijn dan ingebeelde ideologieën.

 

 

 

8. Wetenschappelijke analyses te over:  

 

De analyse met betrekking tot de wetenschappelijke bevindingen moge nu bekend zijn. De econoom Joseph J. Doyle jr. vond in onderzoek dat de te uit huis te plaatsen kinderen die random toch thuis ambulante passende hulp kregen veel beter af waren dan die wel uithuisgeplaatst werden, en Jo Hermanns vond dit eveneens, in studie Zeeland.  Doyle deed diens onderzoek twee maal, met n= 15.000 resp. 23.000 kinderen.

 

De jeugdbeschermingsketen noch de kinderrechter denken  aan het  niveau  van een jeugdbeschermingsrapportage dat als advies voor de rechter gaat dienen. Men blijft met de oude cultuur werken van meningeninventarisatie door jeugdzorgwerkers, en in MDO zit soms een gedragswetenschapper, die diens beroepscode geweld aandoet.

 

In de toeleiding naar een verzoek beschermingsmaatregel duiden ook onderzoeken op het speculatieve niveau om tot een advies aan de rechter te komen. Er zijn  wetenschappelijke  analyses  over hoe slecht jeugdzorgwerkers ‘onderzoeken’ en wel met onderbuikgevoel en eigen jeugdervaringen die de doorslag geven, en de onwil om tot echte diagnostiek te komen.

 

Alsmede zijn er de analyses van  wetenschappen  die  elk  bewijzen  dat een beschermingsmaatregel zulke schadelijke aspecten kent dat deze maatregelen meestal niet de oplossing zijn om de ontwikkeling van het kind te beschermen. 

 

De keten zou met resultaten zoals prof. Jo Hermanns liet zien toch een ander onderzoeksbeleid wensen voor het kind: Waar voor een melding gemiddeld de levenskwaliteit gewaardeerd wordt, zien we bij een melding dat de kwaliteit omhoog gaat, doch na de melding en onder de jeugdbescherming dendert het gemiddelde tot onder de nulmeting.

 

Een voorbeeldje van een meta-analyse die schade aantoonde:

 

Internist Prof.dr.med. Ursula Gresser  schreef in een meta-analyse, en vertelde in 2015 en op TV in 2018 dat kinderen ziek worden waar ze weggeplaatst worden van één of beide ouders.

 

“Na deze publicatie kunnen rechters niet meer zich verschuilen door dit kindbelang te negeren.  De rechter (of gezinsvoogd) die nu nog contactbeschadigend handelt, handelt willens en wetens kind-beschadigend, {een vorm van ‘institutionele kindermishandeling’ zoals ook het EHRM uitsprak}.  Contactsabotage naar ouders maakt kinderen na de scheiding ziek", zegt Ursula Gresser. {Dit geldt zeker ook bij Uithuisplaatsingen, dubbelop}.
De arts heeft de zes meest recente internationale studies over dit 
onderwerp geëvalueerd.